Aanvullende monitoring
Een belangrijk onderdeel van het omgevingstraject is aanvullende monitoring van bodembeweging rond de gasopslagen. Dit valt binnen het ontzorgingsspoor en is bedoeld om zorgen en wensen die door omwonenden zijn geuit te adresseren. Het plan is in 2025 in overleg met de omgevingstafels vastgesteld.
Ontwikkeling van het plan
Al vroeg in het omgevingstraject gaven omwonenden zorgen aan over de (veranderende) werking van de gasopslagen. In 2024-2025 zijn daarom experts (o.a. van KNMI, Tu Delft, TNO en het Holland Innovation Team) betrokken om uitleg te geven over bodembeweging, lokale bodemopbouw en monitoring. De omgevingstafels vroegen daarnaast om aanvullende monitoring van de gasopslagen te ontwikkelen.
Samen met de omgevingstafels zijn wensen verkend en vastgelegd. Daarna is eerst de bestaande monitoring (voor seismiciteit en diepe/ondiepe bodembeweging) in kaart gebracht. Die monitoring is in de omgeving al zeer uitgebreid. Daarom is vervolgens met een begeleidingscommissie van experts bepaald welke aanvullende technieken ingezet kunnen worden om een aanvullend beeld te krijgen van het verschil tussen diepe en ondiepe bodembeweging.
Deze begeleidingscommissie bestaat uit: Pauline Kruiver (KNMI), Peter van der Gaag (Holland Innovation Team), Ramon Hanssen (TU Delft), Kay Koster (TNO) en Chris Geurts (TNO). Op basis hiervan is, in samenspraak met de omgevingstafels, een plan opgesteld en meerdere keren aangepast op basis van feedback (bijvoorbeeld over meetlocaties).
De stuurgroep keurde de opzet van het plan in juli 2024 goed. Daarna is de werkgroep aan de uitwerking ervan begonnen. De definitieve versie is in oktober 2025 door alle partijen ondertekend en gepubliceerd.
Na aanbesteding is Antea Group geselecteerd voor uitvoering (grondonderzoek en installatie). De NAM contracteert deze partij, maar de stuurgroep neemt hierover gezamenlijk de beslissingen. Op nadrukkelijk verzoek van de omgevingstafels voeren geen van de partijen van het Omgevingstraject zelf metingen uit en interpreteren zij deze ook niet.
Het plan
Het plan richt zich op het meten van bodemdaling en -stijging rond de gasopslagen en het onderscheiden van bewegingen in de diepe (±500 m en dieper) en ondiepe ondergrond.
Bewegingen in de ondiepe ondergrond zijn bijvoorbeeld het uitzetten van een kleilaag door vernatting. Bewegingen in de diepe ondergrond (ongeveer 500 meter en dieper) kunnen het gevolg zijn van gaswinning uit een gasveld.
Om de bewegingen in de ondergrond beter te begrijpen, zullen lokaal metingen worden gedaan. Er worden meetstations geplaatst rond Grijpskerk en Norg. Locaties zijn gekozen op basis van:
- Bodemkundige geschiktheid: locaties waar bodembeweging wordt verwacht, met name gebieden met klei- en veenlagen. De lokale bodemopbouw wordt vooraf gecontroleerd (met zogenaamde sonderingen). Afwijkende of verstoorde bodems (zoals wierden) worden vermeden.
- Relevantie voor bebouwing: omdat gebouwen doorgaans gefundeerd zijn in de ondiepe ondergrond, is gekozen voor locaties waar veranderingen in de ondergrond effect kunnen hebben op bebouwing/gebouwen.
- Geografische spreiding: de meetpunten zijn verspreid over het gebied waar bodembeweging door gaswinning of -injectie wordt verwacht.
Daarnaast zijn er nog praktische eisen aan locaties:
- Praktische en organisatorische aspecten: voorkeur voor locaties bij gebouwen in beheer van gemeenten of stichtingen (dit in verband met privacy en toegankelijkheid).
- Technische geschiktheid: locaties moeten geschikt zijn voor dataverzending en satellietontvangst (dus zo min mogelijk verstorende obstakels zoals hoge bebouwing of bomen).
- Randvoorwaarden op locatie: aanwezigheid van sloten, kabels, leidingen, kelders of kruipruimtes en eventuele toekomstige bouwplannen zijn meegewogen.
Met input van de omgevingstafels is een lijst van mogelijke locaties rondom Grijpskerk en Norg opgesteld. Antea heeft op basis van deze lijst en bovenstaande criteria in totaal zeven geschikte locaties gevonden.
Meetmethoden
Per locatie worden geplaatst:
- Tiltmeters: om gedurende langere tijd tilt (of hoek) te meten
- Op het maaiveld (aan het oppervlak) meten ze de gecombineerde beweging van diepe en ondiepe ondergrond
- Diep geplaatste tiltmeters meten de tilt van diepere lagen
- Extensometers: om de krimp, zwel en dikteverandering van bodemlagen te meten.
- Peilbuizen: om de grondwaterdruk te meten
Deze meetinstrumenten geven samen inzicht in bodemstijging en -daling op een locatie. Tiltmeters op het maaiveld en in de diepte maken onderscheid tussen diepe en ondiepe bewegingen en helpen oorzaken te bepalen. Extensometers en peilbuizen bieden daarnaast inzicht in wat ondiepe bodemlagen doen. Zo leren we meer over de oorzaak van bodembeweging aan het maaiveld bij een meetlocatie.
Daarnaast zetten we InSAR in. Dit is een radartechniek die in Nederland al wordt gebruikt voor het meten van bodembeweging door gaswinning. TU Delft verzorgt de metingen en interpretatie. Op deze manier combineert het plan gedetailleerde lokale informatie met satellietinformatie voor het grotere gebied.
De monitoring duurt vijf jaar, met elke twee jaar een evaluatie. Jaarlijks verschijnen openbare rapportages met deelresultaten, die ook met de omgeving worden gedeeld. Na circa twee jaar worden de resultaten bovendien beoordeeld door een onafhankelijke partij.